Kinderalimentatie wordt niet berekend op wat je straks overhoudt. Ze wordt berekend op wat de kinderen kostten toen jullie nog samen waren. Dat ene gegeven verklaart waarom het bedrag vaak hoger uitvalt dan de betalende ouder verwacht, en waarom de ontvangende ouder er soms minder aan overhoudt dan gedacht.

Het is een rekensom in drie stappen, met vaste tabellen en een formule die de rechtbank ook gebruikt. Geen onderhandeling, geen koehandel. Wie de drie stappen kent, ziet vooraf waar het bedrag ongeveer uitkomt, en waar de ruimte zit die ertoe doet.

Stap één: de behoefte, vastgezet op het verleden.

Eerst wordt bepaald wat de kinderen maandelijks kosten. Dat gebeurt met de NIBUD-tabellen, op basis van het netto gezinsinkomen van vóór de scheiding. Daar zit de eerste verrassing: de behoefte bevriest op het oude welvaartsniveau. Verdiende het gezin samen netto €4.900 met twee kinderen, dan leest de tabel een behoefte van ongeveer €1.150 per maand af, ook al daalt het inkomen van beide ouders na de splitsing fors.

De gedachte erachter is dat een kind niet de dupe hoort te worden van de scheiding van de ouders. De praktijk is dat twee huishoudens van een lager inkomen samen een kostenpost moeten dragen die op een hoger inkomen is vastgesteld. Sinds 2025 lopen de tabellen bovendien door tot een netto gezinsinkomen van €7.500, waar dat eerder bij €6.000 stopte. Voor gezinnen die daarboven zaten, valt de behoefte nu hoger uit dan onder de oude tabel.

De behoefte van het kind staat op het oude gezinsinkomen, niet op het nieuwe. Twee kleinere huishoudens delen een rekening die op het grotere is gebaseerd. Dat is geen fout, het is de bedoeling, en het is goed om het vooraf te weten.

Stap twee: de draagkracht, en de formule erachter.

Vervolgens wordt per ouder berekend hoeveel die kan bijdragen. Dat heet de draagkracht, en daar zit een vaste formule onder. Voor 2026 is dat: draagkracht is 70 procent van het netto besteedbaar inkomen, minus een vrijgesteld deel van 30 procent van dat inkomen plus €1.365. In formulevorm: 70% × [NBI − (0,3 × NBI + 1.365)].

Een voorbeeld. Ouder A houdt na de scheiding een netto besteedbaar inkomen van €3.000 over. De vrije voet is 0,3 × 3.000 plus 1.365, dat is €2.265. Wat resteert is €735, en 70 procent daarvan is ongeveer €515 draagkracht. Ouder B houdt €2.000 over, met een vrije voet van €1.965 en dus een draagkracht van ongeveer €25. De totale draagkracht is dan €540, terwijl de behoefte €1.150 was. Bij een tekort aan gezamenlijke draagkracht wordt de behoefte naar rato verdeeld, en blijft een deel onvervuld. Niet elk gezin kan de eigen kinderen volledig dragen na een scheiding. Dat is een harde uitkomst, maar de rekensom verbergt hem niet.

De verdeling van wat wel kan, gebeurt naar verhouding van de draagkracht. In dit voorbeeld draagt A het leeuwendeel, omdat B na de scheiding nauwelijks ruimte overhoudt. Dat is precies omgekeerd aan wat veel mensen verwachten: niet wie het kind het minst ziet betaalt het meest, maar wie het meest kan missen.

Stap drie: de zorgkorting, voor de dagen dat het kind er is.

De ouder die betaalt, maakt zelf ook kosten op de dagen dat het kind bij hem of haar is. Daarvoor bestaat de zorgkorting: een percentage van de behoefte dat in mindering komt op de te betalen alimentatie. Het loopt van 15 procent bij gemiddeld één dag per week tot 35 procent bij gedeeld verblijf van drie dagen of meer.

Rekent ouder A in het voorbeeld een behoefte van €1.150 en heeft die het kind twee dagen per week, dan is de zorgkorting 25 procent, ongeveer €288. Dat bedrag gaat van de berekende bijdrage af. Hoe meer dagen de betalende ouder het kind verzorgt, hoe lager de alimentatie. Het systeem beloont gedeeld ouderschap, niet als gunst maar als rekenregel.

Het verschil dat de fiscus maakt.

Hier ligt het verschil dat in de meeste rekentools van mediation-kantoren wegvalt. Kinderalimentatie is voor de betaler niet aftrekbaar. Partneralimentatie is dat wél, in box 1. Bij een scheiding met zowel partner- als kinderalimentatie bepaalt dat verschil de werkelijke last na belasting. Een euro partneralimentatie kost de betaler bij een tarief van 37 procent netto ongeveer 63 cent, een euro kinderalimentatie kost een hele euro.

Dat maakt de verdeling tussen beide vormen niet vrijblijvend. Wie het convenant opstelt zonder dit mee te wegen, laat aan de ene of de andere kant geld liggen. Het is ook precies het punt waarop de gratis rekenmodule van een mediation-aanbieder stopt: die geeft het bruto bedrag, niet wat het na de aangifte werkelijk kost of oplevert.

Wat er verandert, en wat blijft.

Een vastgesteld bedrag staat niet stil. Het wordt elk jaar van rechtswege geïndexeerd, per januari 2026 met 4,6 procent. Wie in 2021 €300 afsprak, betaalt na vijf indexeringen merkbaar meer, zonder dat er ooit een nieuwe afspraak is gemaakt. De verplichting loopt door tot het jongste kind 21 jaar is, of langer als het kind dan nog niet in eigen onderhoud kan voorzien.

Verandert het inkomen van een ouder ingrijpend, door ontslag, een nieuwe baan of een nieuw samengesteld gezin, dan kan de alimentatie worden herzien. Maar dat gaat niet vanzelf: er moet een wijzigingsverzoek liggen. Tot dat moment loopt het oude bedrag door, geïndexeerd en al.

De les in één zin.

Kinderalimentatie is geen onderhandeling maar een rekensom op het verleden: de behoefte staat op het oude inkomen, de draagkracht op het nieuwe, en de zorgkorting op de dagen ertussen. Wie de drie stappen vooraf doorrekent, weet waar het bedrag landt, en ziet de ene ruimte die er wel is: hoe partner- en kinderalimentatie zich na de aangifte tot elkaar verhouden.

Reken je kinderalimentatie door op de rekentool "De alimentatie". Behoefte volgens NIBUD, draagkracht volgens de formule, zorgkorting naar de zorgdagen, en het naast de partneralimentatie. Met de cijfers van 2026.